Stoofperen op het vuur
Bij oma staan de stoofperen al op het vuur voordat de kerstboom is versierd. De Gieser Wildemannen, door opa altijd “feestpeertjes” genoemd, liggen al klaar op het aanrecht. “Nu zijn ze nog grijs, maar zo met die port krijgen ze een mooi roodbruin kleurtje.” Oma schilt ze met haar vertrouwde aardappelmesje en laat de steeltjes eraan. “Dan blijft het mooi een heel peertje, dat is echt voor het oog,” zegt ze. “Maar ook voor de smaak, zei jullie vader altijd,” vult opa aan.
De peren gaan rechtop in de pan en er gaat port bij, een glas water, wat citroensap, een zakje vanillesuiker, twee kaneelstokjes en één kruidnagel. Soms doet oma er nog een beetje basterdsuiker bij, “als ze wat zuur zijn dit jaar.”
Na een paar minuten vult de geur het huis: warm, kruidig en een beetje zoet. De echte decembergeur. Oma zet de afzuigkap niet aan. “Die doe ik nooit aan,” zegt ze. “Anders verdwijnt de lekkerste geur van het jaar!” Opa komt binnen, ruikt het meteen en zegt: “Zo, ze staan weer op hoor. De Giesermannen.” Hij noemt ze altijd zo, alsof het een voetbalteam is dat elk jaar terugkomt in december. “Het ruikt weer precies zoals vroeger bij ons thuis,” zegt opa. “Stoofpeertjes horen nou eenmaal bij kerst. Een kerstdiner zonder stoofperen, dat kan niet,” zegt oma. Voor opa is het juist de mengeling van alles. “Rollade, aardappelkroketjes, sperzieboontjes en stoofperen… bij elkaar is dat voor ons gewoon hoe kerst moet ruiken. Het is een vaste traditie die elk jaar terugkomt.”
Als ze klaar zijn, laat oma ze afkoelen in hun eigen vocht, op tafel. “Niet in de koelkast,” zegt ze. “Dan ruikt het niet meer. Laat ze maar gewoon ademen.” De geur blijft hangen in het huis, in de gordijnen, in de dagen daarna. Dat is kerst bij opa en oma: stoofperen op het vuur en een geur die niet snel verdwijnt.